|
|
|
|
Het lichaam is het meest werkelijk - de werkelijkheid is eerst en vooral lichamelijk!
Een mens leeft (als het ware) in de wereld, voelt zich erin thuis, met de ‘wereld als huis’, of niet. Als dat laatste het geval is heeft dat een reden. De oorzaak voor het feit dat jij je niet thuis voelt in de wereld kan van alles zijn. Een groot verlies, traumatische ervaringen, ontheemd zijn, slachtoffer van martelingen en opsluiting, het verlies van existentiële zekerheid, het ontbreken van vertrouwen, kortom veel gebeurtenissen en ervaringen kunnen leiden tot zinverlies en een gevoel van niet (meer) thuis zijn in de wereld. In deze inleiding gebruik ik het begrip wereld in meervoudige zin, ik doel daarmee zowel op de wereld als zodanig zoals we die met de hele mensheid bewonen als op de wereld van het kleine, het intieme, het huiselijke, het persoonlijke en vertrouwde: jouw kleine wereld waarin je jezelf dagelijks voortbeweegt. Wereld dus van globe tot geestelijke binnenkamer. Wonen in de wereld, thuis zijn in de wereld betekent dus ook dat de breedte van het begrip wereld gevolgen heeft over de invulling van het begrip huis en thuis. Het begrip wereld, (Latijn mundus, Grieks kosmos), is niet helemaal hetzelfde als het begrip aarde. Met het begrip aarde wordt de concrete plek aangeduid die wij innemen in dit heelal, de planeet aarde en de bodem waarop wij staan. De planeet aarde is tevens onze wereld. Maar het begrip wereld is breder en ook meer een zaak van geestelijke aard, een kwestie van onze voorstelling en ons voorstellingsvermogen, dan het begrip aarde. Bij het begrip aarde denk je meteen ook aan de concrete materiële werkelijkheid zoals die in aarde, (grond) zichtbaar wordt. Ook de filosoof Martin Heidegger maakt een onderscheid tussen aarde en wereld, (Erde und Welt) waarbij hij het begrip aarde reserveert voor de materie, de bodem waarop wij ons huis bouwen, en het begrip wereld staat bij hem voor wereldbeeld, beeld van de wereld, vooral en in eerste instantie ook een complex van gedachten en ideeën waarmee wij onze kennishorizont vullen.[i]
In dit essay staat de volgende vragen centraal: 1. Hoe is de relatie tussen de beleving van ons lichaam en de conceptie van ons wereldbeeld 2. Wat betekent deze relatie voor ons zelfverstaan en ons verstaan van de werkelijkheid als zodanig? 3. Wat betekent deze relatie voor het verstaan van de vraag naar God? Is God ook lichamelijk ervaarbaar? Ik stel deze vragen omdat ik het vermoeden wil onderzoeken dat de beleving van de werkelijkheid veel meer lichamelijk gekleurd is dan we misschien willen toegeven, met andere woorden onze lichamelijkheid kleurt niet alleen maar bepaalt in hoge mate ons verstaan van de werkelijkheid en onze houding, ons gedrag en onze religiositeit. Onze werkelijkheid is allereerst de lichamelijk beleefde werkelijkheid, de werkelijkheid zoals ze is voor mijn lichaam. Pas in tweede instantie volgt de reflectie op basis van de lichamelijke ervaringen en het proces van betekenisgeving. Dit komt dus altijd achteraf. Ik voel iets bijvoorbeeld warmte, via mijn huid, en daarna vindt pas plaats dat ik over warmte spreek en weet dat dit gevoel warmte aangeeft. Onze werkelijkheid is lichamelijk en ons lichaam is het meest werkelijke. Dichter dan op de eigen huid kun je niet komen. Ons lichaam is het meest nabije wat we van de werkelijkheid kunnen kennen en ervaren. Mij fascineert vooral de vraag wat dit laatste betekent. Welke consequenties hangen hieraan vast en wat betekent dat voor ons verstaan en vooral voor ons verbeelden van de werkelijkheid. Daarbij richt ik mijn aandacht op zowel de kunst, de poëzie en de filosofie en psychologie omdat dit terreinen zijn waar deze fascinatie voor lichaam en werkelijkheid (in combinatie) aandacht krijgen. Ik laat me daarbij ook leiden door teksten en verslagen van ervaringen van mensen in situaties waarin zij zich thuis en niet-thuis voelen in de wereld. De rol van de taal en de voertuigfunctie van de taal in onze omgang met de werkelijkheid, de wereldbeelden in kunstwerken en in wetenschap spelen hierbij een rol omdat ze pregnant een samenvatting geven van de wijze waarop mensen naar de werkelijkheid kijken.
Om de relatie wereldbeeld – lichaam te onderzoeken start ik bij concrete ervaringen. Getuigenissen van mensen in omstandigheden waardoor zij zich bewust worden van de lichamelijkheid van hun bestaan en het effect hiervan op hun zelfverstaan en verstaan van de werkelijkheid en hun concrete instelling ten aanzien van de wereld en religie, vormen hierbij uitgangspunt. Wat wil het ten diepste zeggen dat je jezelf thuis voelt in de wereld, of niet-thuis en vreemd? Vervolgens sta ik stil bij de werkzaamheid en het effect van ons taalkundig vermogen en de lichamelijke bepaaldheid ervan en de consequenties die hieruit voortvloeien. (Spreekwoorden en het taalspel vertrekken veelal van lichamelijke feitelijkheden). Ik onderzoek hoe wereldbeelden werken in de wereld van de kunst en de religie en illustreer deze aanpak met getuigenissen van kunstenaars, bijbelse auteurs en de receptie van deze teksten bij mystici. Datzelfde doe ik voor de wereld van de wetenschap. Ik probeer daarna samen te vatten en uit te diepen wat het voorafgaande betekent voor ons zelfverstaan, ons verstaan van de werkelijkheid en de lichamelijk ervaren werkelijkheid en onze beelden die wij ontwerpen van de werkelijkheid en de religieus beleefde werkelijkheid. Dat alles uiteindelijk samengevat in conclusies. In deze tekst wordt om stilistische redenen gekozen voor het achterwege laten van de verdubbeling hij/zij. [i] M.Heidegger, Der Ursprung des Kunstwerkes (1960). Heidegger definiert das Kunstwerk nun als das, was eine Welt auf- und die Erde herstellt. Die Welt ist der Erkenntnishorizont einer Person, jedes Lebewesen hat seine Welt, Heidegger führt dies am Leben einer Bäuerin genauer aus. Die Erde aber ist die Gesamtheit alles Seienden, dass ,,als Sichverschließendes aufgeht``. ( S. 54 ) Deutlich wird das am Beispiel eines griechischen Tempels, das Heidegger anführt : ,,Das Bauwerk umschließt die Gestalt des Gottes und lässt sie in dieser Verbergung durch die offene Säulenhalle hinausstehen in den heiligen Bezirk. Durch den Tempel west der Gott im Tempel an. [...] Das Tempelwerk fügt erst und sammelt zugleich die Einheit jener Bahnen und Bezüge um sich, in denen Geburt und Tod, Unheil und Segen, Sieg und Schmach, Ausharren und Verfall - dem Menschenwesen die Gestalt seines Geschickes gewinnen. Die waltende Weite dieser offenen Bezüge ist die Welt dieses geschichtlichen Volkes. [...] Dastehend ruht das Bauwerk auf dem Felsgrund. Dies Aufruhen des Werkes holt aus dem Fels das Dunkle seines ungefügten und doch zu nichts gedrängten Tragens heraus. Dastehend hält das Bauwerk dem über es hinwegrasenden Sturm stand und zeigt so erst den Sturm selbst in seiner Gewalt. [...] Dieses Herauskommen und Aufgehen selbst und im Ganzen [...] lichtet zugleich jenes, worauf und worin der Mensch sein Wohnen gründet. Wir nennen es die Erde.`` Welt und Erde stehen in einem ewigen Streit miteinander und durchragen sich doch gegenseitig, da die Welt das Offene des Seins, die Erde aber das sich verschließende darstellt. Die Welt ist jedoch nicht als Offenheit und Wahrheit an sich zu verstehen, die, wo immer sie ins Dunkel der Erde scheint, eine Lichtung erzwingt. Vielmehr ist die Lichtung, das Geschehen der Wahrheit am Werk, ein Prozess, der den Widerstreit an sich zeigt, die Wahrheit selbst, die sich jedoch ihrem Wesen nach auch verschließt. Was ist die Wahrheit also im Werk. Wenn sie geschieht, dann ist sie ,,Aufstellend eine Welt und herstellend die Erde [...] die Bestreitung jenes Streites, in dem die Unverborgenheit des Seienden im Ganzen, die Wahrheit erstritten wird.`` ( S. 54 )
|
|
|
canandanann 23-09-2006 |