|
|
|
|
Het lichaam als auto-topie
Het lichaam is een ‘auto-topie’, een ‘zelf-plaats’. Het “psychologische zelf” neemt doormiddel van het lichaam een plaats in, in de wereld. Een onvervreemdbare plaats. Wat dit betekent is niet op het eerste gezicht duidelijk als je het begrip zelf alleen maar definieert vanuit psychologische categorieën. Zelf en lichaam horen bij elkaar en bepalen elkaar. Zowel substantieel als functioneel. Geen zelf zonder lichaam en geen lichaam zonder zelf. Het zelf vormt de voorwaarde voor de beleving van het lichaam en de reflectie op deze ervaring en de communicatie van deze ervaring naar anderen toe en naar zichzelf toe. Omgekeerd is het zelf niets zonder lichaam al heeft de mens soms het idee dat zijn rationeel vermogen een zekere onafhankelijkheid van het lichaam mogelijk maakt en veronderstelt. Ik vermoed dat het begrip zelf, in de filosofie “het subject” genoemd, de voorwaarde vormt voor de rationele beleving van de werkelijkheid en de eigen lichamelijkheid als deel van deze werkelijkheid. Ik zeg met opzet ‘voorwaarde’ omdat het zelf als zodanig ‘even buitenspel’ blijft in deze rationele overwegingen. Pas als de ratio zich terugwendt tot de bron van de gedachten en de uitvoerder van deze activiteit van het denken komt het zelf als oorsprong in zicht en daarmee ook de lichamelijke condities die het denken mogelijk maken. Het zelf ontdekt via de omweg van de ratio zichzelf. Dat laat de geschiedenis van de westerse filosofie zien in de teksten van vele vooraanstaande filosofen.[i] In het begrip auto-topie, dat ik hier poneer naar aanleiding van en in aansluiting bij de gedachten van Michel Foucault over utopie en heterotopie, komen twee werkelijkheden bij elkaar die samen de mens vormen: auto, het zelf en topie, topos, de plaats, in deze het lichaam. Auto-topie is geen Nederlands begrip. ‘Autos’ kan in het Grieks o.a. betekenen: zelf, hij, zij, het, vanzelf, uit eigen beweging, vrijwillig, eigenmachtig, voor zichzelf, alleen, etc. ‘Topos’ kan betekenen: plaats, oord, streek, localiteit, gelegenheid, stelling, positie, stand. In auto-topie komt zowel de eigenstandigheid van het lichaam als de beleving van de uniciteit van het lichaam bij elkaar. En niet in het minst komt het ruimtelijke aspect van het lichaam tot uitdrukking. De beleving van het lichaam als concrete ruimte is een andere als de beleving van het lichaam in de tijd en het lichaam als vergankelijk lichaam met een begin en een einde. Ook in dat laatste geval is de ruimtelijkheid van het lichaam en de letterlijke constitutie anders dan de categorie tijdelijkheid waarmee we de ontwikkelingsgang van het lichaam vaak proberen te beschrijven. Kenmerkend voor de benadering vanuit de tijd is vaak het lineaire karakter van deze beleving van de tijd. Wat geweest is komt niet meer terug, is voorgoed voorbij, het heden ontglipt aan onze vingers. Echter de benadering van de tijd als een organische categorie, een groeiproces waarin de vorige fases behouden blijven, doet volgens mij meer recht aan het lichaam en de beleving van de lichamelijke werkelijkheid.
De mens als zelfplaats, auto-topie, ontdekt gaandeweg zijn plaats in de wereld. Het begrip plaats is in deze op te vatten als concrete plek waar het zelf zich als lichaam bevindt, maar ook de mogelijkheden die dit lichaam heeft om zich te verplaatsen en zich te ontwikkelen. De ontwikkeling vindt plaats in een organisch beleven van de tijd waarin de groei centraal staat van de mens als zelfplaats. De mens als zelfplaats, neemt zichzelf overal mee naar toe. Zijn zelfplaats is de basis voor alle bindingen en relaties in ruimte en tijd. Dit betekent dat het lichaam in alle soorten van binding een fundamentele rol speelt. In religieuze rituelen krijgt dit vaker extra aandacht – niet het contract, de geestelijke overeenstemming en toestemming, maar de lichamelijke voltrekking van de binding krijgt dan aandacht. De consumptie van het huwelijksverbond is hiervan een voorbeeld. Er zijn een groot aantal vragen te stellen naar de positie die de auto-topie inneemt in de wereld en ten aanzien van de wereld en zichzelf. Een aantal vragen wil ik hier de revue laten passeren:
Kortom er zijn veel vragen te stellen die het denken in een bepaalde richting (kunnen) sturen. We starten bij het lichaam zelf en de beleving daarvan in de wereld als manier om deze vragen te verkennen en benadrukken.
[i]
Met het verlies van de evidenties van het geloof, die het Middeleeuwse
denken nog doorslaggevend bepaalden, ontstaat vanaf de Renaissance in
het Europese denken een emancipatie van de menselijke rede. De
ondervinding dat zintuigen en traditie ons kunnen misleiden doet het
menselijk denken inkeren tot zichzelf. Descartes' Meditationes de prima
philosophia zijn hiervan een exemplarisch voorbeeld. Het menselijk
denken wordt in een filosofische reflectie geďsoleerd en in dit denken
worden de onaantastbare zekerheden gezocht die de grondslag kunnen
worden van onbetwijfelbare kennis. Het cogito, het autonome denken,
wordt tot fundament van het gehele gebouw der kennis. De menselijke rede
wordt de toetssteen van de geldigheid van kennis in wetenschap, recht,
kunst, moraal en religie. De menselijke rede is het licht waarin de
gehele werkelijkheid zichtbaar wordt. In Kants kritiek van de rede, die
in de laatste decennia van de achttiende eeuw zijn beslag krijgt, komt
de Verlichting tot een hoogtepunt, aangezien hier de kritische functie
van de rede op de rede zčlf wordt gericht. De term 'kritiek' moeten we
hier begrijpen in zijn dubbele betekenis van analyse čn rechtvaardiging
van de menselijke rede. Als rechtvaardiging is zij tegelijkertijd een
begrenzing, omdat met het vaststellen van de reikwijdte van de rede ook
het gebied wordt aangeduid dat voor haar ontoegankelijk is. Aangezien de
rede de enige toetssteen kan zijn, is de kritiek van de rede
noodzakelijk een immanente kritiek: een "begrenzing vŕn de rede dóór de
rede" (Duintjer
1966, 81). Bron:
http://www2.eur.nl/fw/hyper/colleges/ontologiehyper/paden/geschiedenis/gesfil/Kant/transcendentaal.html
|
|
|
canandanann 23-09-2006 |